Begrippenlijst Vaarbewijs 1, Vaarbewijs 2 en Marifonie
In deze begrippenlijst vind je korte en duidelijke uitleg van belangrijke termen die je tegenkomt bij Klein Vaarbewijs 1, Klein Vaarbewijs 2 en Marifonie. Handig als je snel wilt opzoeken wat een begrip betekent tijdens het leren voor je examen.
Algemene begrippen
- Klein Vaarbewijs: Bewijs dat je nodig hebt om bepaalde snelle of grotere pleziervaartuigen te mogen besturen.
- Klein Vaarbewijs 1: Vaarbewijs waarmee je op rivieren, kanalen en kleine meren mag varen.
- Klein Vaarbewijs 2: Uitbreiding op Klein Vaarbewijs 1 waarmee je ook op ruimere wateren mag varen, zoals IJsselmeer, Waddenzee en Zeeuwse wateren.
- KVB-1: Afkorting voor Klein Vaarbewijs 1.
- KVB-2: Afkorting voor Klein Vaarbewijs 2.
- ICC Inland Waters: Internationale benaming die hoort bij Klein Vaarbewijs 1.
- ICC Coastal Waters: Internationale benaming die hoort bij Klein Vaarbewijs 2.
- CBR: Organisatie waar je het officiële examen voor het Klein Vaarbewijs aflegt.
- Vaarbewijsplichtig schip: Schip waarvoor je een vaarbewijs nodig hebt, bijvoorbeeld omdat het sneller kan dan 20 km/h of tussen de 15 en 25 meter lang is.
- Vaarbevoegdheid: Het recht om een schip te mogen besturen. Deze bevoegdheid kan bij ernstige overtredingen worden ingetrokken.
- Schipper: Degene die verantwoordelijk is voor het schip, de bemanning en het vaargedrag.
- Bemanning: De personen aan boord die helpen bij het varen of bedienen van het schip.
- Opvarenden: Alle personen die zich aan boord van een schip bevinden.
- Pleziervaartuig: Schip dat wordt gebruikt voor recreatie en niet voor beroepsmatig vervoer.
- Beroepsvaart: Scheepvaart die bedrijfsmatig wordt uitgevoerd. In het BPR wordt deze term niet als officiële definitie gebruikt.
- Passagier: Persoon die wordt vervoerd op een schip en geen onderdeel is van de bemanning.
- Watersporter: Iemand die recreatief actief is op of rond het water.
Reglementen en vaargebieden
- BPR: Binnenvaartpolitiereglement. Dit is het belangrijkste reglement voor veel Nederlandse binnenwateren.
- Binnenvaartpolitiereglement: Reglement met verkeersregels, tekens, lichten en definities voor de binnenvaart.
- Wateralmanak: Naslagwerk waarin onder andere het BPR en belangrijke vaarinformatie staan.
- Kleine binnenwateren: Kanalen, rivieren en kleine meren waarop je met Klein Vaarbewijs 1 mag varen.
- Ruim water: Grotere wateren waar meer golfslag, wind en navigatiekennis nodig zijn.
- IJsselmeer: Groot binnenwater waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is als je met een vaarbewijsplichtig schip vaart.
- Markermeer: Groot binnenwater waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- IJmeer: Water tussen Amsterdam, Almere en het Markermeer; valt onder de wateren waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- Waddenzee: Getijdenwater waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- Oosterschelde: Groot getijdenwater in Zeeland waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- Westerschelde: Drukke vaarweg met zeevaart en getij, waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- Eems en Dollard: Watergebied in het noordoosten van Nederland waarvoor Klein Vaarbewijs 2 nodig is.
- Gouwzee: Water bij Monnickendam en Marken dat wordt gezien als klein binnenwater.
- Vaarweg: Elk openbaar toegankelijk water dat door schepen gebruikt kan worden.
- Vaarwater: Het deel van een vaarweg dat daadwerkelijk door schepen kan worden gebruikt.
- Hoofdvaarwater: Belangrijkste vaarwater, vaak breder, drukker of aangewezen als hoofdroute.
- Nevenvaarwater: Aansluitend of minder belangrijk vaarwater dat uitkomt op een hoofdvaarwater.
- Betonde vaargeul: Vaargeul die met boeien of tonnen is aangegeven.
- Vaargeul: Het bevaarbare deel van het water, vaak dieper en bedoeld voor doorgaande scheepvaart.
- Snelvaargebied: Gebied waar sneller varen dan de normale maximumsnelheid is toegestaan.
- Maximumsnelheid: De hoogste snelheid waarmee je op een bepaald vaarwater mag varen.
Schepen en vaartuigen
- Schip: Elk vaartuig dat geschikt is om als vervoermiddel over water te worden gebruikt.
- Boot: Algemene benaming voor een vaartuig; in de praktijk vaak gebruikt voor kleinere schepen.
- Groot schip: Schip van 20 meter of langer, of een schip dat volgens het BPR als groot schip geldt.
- Klein schip: Schip dat korter is dan 20 meter en niet onder een uitzonderingscategorie valt.
- Motorschip: Schip dat zich voortbeweegt met een motor.
- Zeilschip: Schip dat uitsluitend door zeilen wordt voortbewogen.
- Zeilboot op de motor: Een zeilboot die de motor gebruikt; volgens de regels geldt deze dan als motorschip.
- Zeilplank: Klein zeilschip met vrij bewegende zeiltuigage op een draaibare mastvoet.
- Surfplank: Andere benaming voor zeilplank.
- Zeegaand schip: Groot schip dat van zee komt of naar zee vertrekt en deelneemt aan de scheepvaart.
- Bovenmaats schip: Schip dat door lengte of diepgang beperkt manoeuvreerbaar is en aan een bepaald deel van de vaarweg gebonden is.
- Passagiersschip: Schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren.
- Vissersschip: Schip dat vist met vistuig dat de manoeuvreerbaarheid beperkt.
- Veerpont: Schip dat een veerdienst onderhoudt en de vaarweg oversteekt.
- Sleepboot: Motorschip dat andere schepen sleept of assisteert.
- Slepend schip: Schip dat een ander schip voorttrekt.
- Gesleept schip: Schip dat door een ander schip wordt voortgetrokken.
- Duwboot: Motorschip dat is gebouwd of ingericht om duwbakken te duwen.
- Duwbak: Schip dat gebouwd of geschikt is om te worden geduwd.
- Duwstel: Hecht samenstel van een duwboot en één of meer duwbakken of andere schepen.
- Gekoppeld samenstel: Samenstel van langszij vastgemaakte schepen, waarbij geen schip vóór het voortbewegende motorschip ligt.
- Drijvend werktuig: Schip met werktuigen die worden gebruikt op vaarwegen of in havens.
- Snelle motorboot: Klein schip dat sneller kan varen dan 20 km/h door het water.
- Snel schip: Groot schip dat sneller kan varen dan 40 km/h.
- Waterscooter: Snelle motorboot waarop je zit en die meestal voor één of twee personen is gebouwd.
- Jetski: Snelle motorboot waarop je meestal staat.
- Roeiboot: Klein schip dat met roeiriemen wordt voortbewogen.
- Kano: Klein vaartuig dat met een peddel wordt voortbewogen.
- Kayak: Smal vaartuig waarbij de vaarder meestal zit en een dubbelbladige peddel gebruikt.
- Catamaran: Schip met twee rompen.
- Watervliegtuig: Vliegtuig dat op water kan landen en opstijgen en volgens het BPR ook onder schip kan vallen.
- Hovercraft: Vaartuig zonder gewone waterverplaatsing dat zich op een luchtkussen voortbeweegt.
Toestand van een schip
- Varend schip: Schip dat niet ten anker ligt, niet gemeerd ligt en niet is vastgevaren.
- Stilliggend schip: Schip dat ten anker ligt of gemeerd is.
- Ten anker liggen: Stilliggen doordat het schip met een anker aan de bodem is vastgelegd.
- Gemeerd liggen: Vastliggen aan een steiger, kade, boei of ander object.
- Vastgevaren schip: Schip dat vastzit aan de grond of op een ondiepte.
- Assisteren: Het helpen van een schip, duwstel of gekoppeld samenstel bij voortbewegen of sturen.
- Slepen: Het voorttrekken van een ander schip.
- Duwen: Het voortbewegen van een schip of duwbak door ertegen te duwen.
- Langszij vastmaken: Een schip naast een ander schip vastmaken.
- Oplopen: Een schip van achteren naderen en voorbijvaren.
- Opgelopen schip: Het schip dat door een ander schip van achteren wordt ingehaald.
- Tegengestelde koersen: Situatie waarin schepen elkaar recht of bijna recht tegemoet varen.
- Kruisende koersen: Situatie waarin schepen elkaar onder een hoek naderen.
- Aanvaringsgevaar: Situatie waarin schepen elkaar zo naderen dat er kans is op een aanvaring.
- Manoeuvreerbaarheid: De mate waarin een schip kan sturen, stoppen en uitwijken.
- Beperkt manoeuvreerbaar: Situatie waarin een schip minder goed kan uitwijken, bijvoorbeeld door werkzaamheden, diepgang of vistuig.
Romp, onderdelen en bouw van een schip
- Romp: Het drijvende hoofddeel van een schip.
- Spantvorm: De vorm van de dwarsdoorsnede van de romp.
- Knikspant: Rompvorm met rechte vlakken die onder een hoek aan elkaar zijn verbonden.
- Multiknikspant: Rompvorm met meerdere rechte vlakken, waardoor de romp ronder lijkt dan bij een gewone knikspant.
- Rondspant: Rompvorm zonder duidelijke knikken, beter geschikt voor golfslag.
- S-spant: Rompvorm waarbij de romp vloeiend overgaat in de kiel.
- Kiel: Onderste deel van de romp dat bijdraagt aan stabiliteit en koersvastheid.
- Vaste kiel: Kiel die vast aan de romp zit.
- Aangehangen kiel: Kiel of zwaardconstructie die aan de romp is bevestigd.
- Zwaard: Platte constructie onder of naast een zeilboot die zijwaarts wegdrijven vermindert.
- Boeg: Voorkant van het schip.
- Achterschip: Achterste deel van het schip.
- Bakboord: Linkerkant van een schip, gezien in de vaarrichting naar voren.
- Stuurboord: Rechterkant van een schip, gezien in de vaarrichting naar voren.
- Waterlijn: De lijn waar de romp het water raakt.
- Diepgang: Afstand tussen de waterlijn en het diepste punt van het schip.
- Vrijboord: Afstand tussen de waterlijn en de bovenrand van de romp.
- Trimvlak: Verstelbaar vlak aan de achterkant van een boot waarmee de vaareigenschappen kunnen worden beïnvloed.
- Boegspriet: Uitstekend onderdeel aan de voorkant van sommige schepen.
- Papegaaistok: Uitstekend onderdeel aan de achterzijde van sommige schepen.
Uitrusting en veiligheid aan boord
- Zeereling: Reling rondom het dek die voorkomt dat iemand makkelijk overboord valt.
- Scepter: Verticale steun waar de zeereling aan vastzit.
- Scepterpot: Bevestigingspunt waarin een scepter op het dek staat.
- Voetlijst: Opstaande rand op het dek die voorkomt dat je van boord glijdt.
- Antislip: Ruw materiaal of verf waardoor je minder snel uitglijdt op dek.
- Huiddoorvoer: Opening door de romp voor bijvoorbeeld waterinlaat of afvoer.
- Afsluiter: Kraan op een huiddoorvoer waarmee je een leiding kunt afsluiten.
- Lenspomp: Pomp waarmee je water uit de boot kunt pompen.
- Bilge: Laagste gedeelte binnen in het schip waar water zich verzamelt.
- Kuip: Buitenruimte van een boot waar de bemanning zit of staat.
- Zelflozende kuip: Kuip waarbij water vanzelf via openingen naar buiten kan lopen.
- Kuiplozing: Afvoeropening waardoor water uit de kuip wegloopt.
- Brugdek: Verhoogde rand tussen kuip en kajuit die voorkomt dat water naar binnen stroomt.
- Kajuit: Binnenruimte van een boot.
- Anker: Middel om een schip op één plek vast te leggen aan de bodem.
- Ankerlijn: Lijn waarmee het anker met het schip verbonden is.
- Ankerketting: Ketting tussen schip en anker die helpt het anker goed te laten houden.
- Vluchtluik: Luik waardoor je in nood uit een afgesloten ruimte kunt ontsnappen.
- Chemisch toilet: Toilet aan boord waarbij afvalwater wordt opgevangen in een tank.
- Puts: Emmer aan een lijn waarmee je water kunt scheppen.
- Reddingsvest: Vest dat iemand drijvend houdt bij te water raken.
- Brandblusser: Blusmiddel dat verplicht is op snelle motorboten en sterk wordt aangeraden op andere boten.
- Dodemansknop: Veiligheidsschakelaar die de motor stopt als de bestuurder overboord valt of wegvalt.
- Registratiekenteken: Kenteken dat een snelle motorboot moet hebben.
- Registratiebewijs: Bewijs dat hoort bij het registratiekenteken van een snelle motorboot.
- Uitkijk: Persoon die oplet op andere schepen, obstakels of bijvoorbeeld een waterskiër.
- Waterskiër: Persoon die op waterski’s wordt voortgetrokken door een snelle motorboot.
- Golfslag: Golven die door wind of passerende schepen ontstaan.
- Geluidshinder: Overlast door lawaai, bijvoorbeeld van een motor.
- Vaargedrag: De manier waarop een schipper het schip bestuurt.
Brand en blusmiddelen
- Brandtechnische driehoek: De drie voorwaarden voor brand: brandstof, zuurstof en voldoende hoge temperatuur.
- Brandbare stof: Materiaal dat kan branden, zoals hout, benzine, gas of olie.
- Zuurstof: Gas uit de lucht dat nodig is voor verbranding.
- Ontbrandingstemperatuur: Temperatuur waarbij een stof gaat branden.
- Brandklasse A: Brand van vaste stoffen zoals hout, papier, meubels, polyester en zeilen.
- Brandklasse B: Brand van vloeibare stoffen zoals benzine, dieselolie en motorolie.
- Brandklasse C: Brand van gassen zoals propaan en butaan.
- Brandklasse D: Brand van metalen zoals aluminium of magnesium.
- Brandklasse E: Oude aanduiding voor elektriciteitsbranden; elektriciteit is meestal de oorzaak, maar brandt zelf niet.
- Brandklasse F: Brand van olie en vetten, zoals bakolie en frituurvet.
- Schuimblusser: Brandblusser die geschikt is voor veel A- en B-branden.
- Poederblusser: Brandblusser die geschikt is voor A-, B- en C-branden, maar veel schade kan veroorzaken aan apparatuur.
- CO2-blusser: Brandblusser die vuur verstikt met kooldioxide.
- Blusdeken: Deken waarmee je vuur kunt afdekken en verstikken.
- Vetblusser: Blusser die speciaal geschikt is voor olie- en vetbranden.
- Vlam in de pan: Brand in een pan met olie of vet; blussen door afdekken, nooit met water.
- Rijkskeurmerk: Keurmerk dat aangeeft dat een brandblusser is goedgekeurd.
- Brandpreventie: Maatregelen om brand te voorkomen.
- Benzinedampen: Explosieve dampen die ontstaan wanneer benzine verdampt.
- Dieseldampen: Dampen van diesel; minder snel explosief dan benzinedamp, maar nog steeds brandgevaarlijk.
- Knalgas: Explosief gas dat kan ontstaan bij het laden van accu’s.
- Gasdetector: Apparaat dat gaslekkage kan signaleren.
- Gasbun: Geventileerde ruimte waarin gasflessen veilig worden geplaatst.
- Cardanisch kooktoestel: Kooktoestel dat horizontaal blijft wanneer de boot schommelt.
- Thermische beveiliging: Beveiliging die de gastoevoer afsluit als de vlam uitgaat.
- Waakvlam: Kleine vlam die aanwezig kan zijn bij gasapparatuur.
- Poetslappen: Doeken met olie of brandstofresten; moeten veilig en geventileerd worden opgeborgen.
Motor, aandrijving en onderhoud
- Verbrandingsmotor: Motor die brandstof verbrandt om beweging te maken.
- Benzinemotor: Motor waarbij benzine met behulp van een bougie wordt ontstoken.
- Dieselmotor: Motor waarbij diesel door compressie ontbrandt.
- Elektromotor: Motor die op elektriciteit werkt.
- Cilinder: Onderdeel van de motor waarin de zuiger op en neer beweegt.
- Zuiger: Bewegend onderdeel in de cilinder dat kracht overbrengt.
- Bougie: Onderdeel dat bij een benzinemotor een vonk geeft om het mengsel te ontsteken.
- Schroefas: As die de kracht van de motor naar de schroef overbrengt.
- Schroef: Propeller die het schip voortstuwt.
- Schroefaskoker: Koker waardoor de schroefas naar buiten loopt.
- Gland: Afdichting rond de schroefas die voorkomt dat water naar binnen komt.
- Vetkoord: Afdichtingsmateriaal rond de schroefas.
- Vetpot: Reservoir met vet voor smering van de schroefas.
- Keerkoppeling: Mechanisme waarmee de schroef vooruit, achteruit of neutraal kan draaien.
- Neutraalstand: Stand waarbij de motor draait maar de schroef geen voortstuwing geeft.
- Breekpen: Pen die breekt als de schroef iets raakt, zodat grotere schade wordt voorkomen.
- Brandstoffilter: Filter dat water en vuil uit de brandstof houdt.
- Condens: Water dat kan ontstaan in een niet volledig gevulde tank.
- Sludge: Olieachtige vervuiling die kan ontstaan op de grens van water en brandstof.
- Smeerolie: Olie die bewegende delen van de motor smeert en helpt koelen.
- Mengsmering: Mengsel van brandstof en olie, vooral bij oudere tweetactmotoren.
- Oliefilter: Filter dat vervuiling uit de olie haalt.
- Oliedruk: Druk waarmee olie door de motor wordt gepompt.
- Vastlopen: Ernstige motorschade waarbij bewegende delen blokkeren door oververhitting of onvoldoende smering.
- Motorkoeling: Systeem dat warmte uit de motor afvoert.
- Waterkoeling: Koeling waarbij buitenwater wordt gebruikt om de motor af te koelen.
- Gesloten koelsysteem: Koelsysteem waarbij koelvloeistof in een gesloten circuit circuleert.
- Impeller: Ronddraaiend schoepenradje dat koelwater door de motor pompt.
- Wierpot: Filter dat voorkomt dat vuil en waterplanten het koelsysteem verstoppen.
- Waterstraal uit de uitlaat: Teken dat de waterkoeling werkt bij een watergekoelde motor.
- V-snaar: Snaar die onder andere de dynamo en koelwaterpomp aandrijft.
- Dynamo: Onderdeel dat stroom opwekt en de accu oplaadt wanneer de motor loopt.
- Koelwaterpomp: Pomp die koelwater door de motor laat stromen.
- Uitlaatgassen: Gassen die ontstaan bij verbranding in de motor.
- Motorruimte ventileren: Het verversen van lucht in de motorruimte om brandbare dampen af te voeren.
- Warmaaien: De motor kort laten draaien zodat deze op temperatuur komt.
Elektriciteit aan boord
- Accu: Batterij die elektrische energie opslaat voor apparatuur en het starten van de motor.
- Startaccu: Accu die bedoeld is om de motor te starten.
- Lichtaccu: Accu voor verlichting en andere elektrische apparatuur aan boord.
- Walstroom: Elektrische stroom vanaf de wal, meestal 230 volt.
- Acculader: Apparaat waarmee een accu wordt opgeladen.
- Accupool: Aansluitpunt van een accu; meestal rood voor plus en zwart voor min.
- Pluspool: Positieve aansluiting van een accu.
- Minpool: Negatieve aansluiting van een accu.
- Accuklem: Klem waarmee een kabel op een accupool wordt bevestigd.
- Smeltzekering: Beveiliging die doorsmelt bij te hoge stroom om schade te voorkomen.
- Watt: Eenheid voor elektrisch vermogen.
- Volt: Eenheid voor elektrische spanning.
- Ampère: Eenheid voor stroomsterkte.
- Ampère-uur: Eenheid voor accucapaciteit; geeft aan hoeveel stroom een accu gedurende een bepaalde tijd kan leveren.
- Capaciteit van een accu: Hoeveel elektrische energie een accu kan leveren.
- Kabeldikte: Dikte van elektrische kabels; belangrijk om oververhitting en spanningsverlies te voorkomen.
- 12 volt: Veelgebruikte boordspanning op kleine schepen.
- 230 volt: Spanning van walstroom zoals thuis uit het stopcontact.
- Verbruikers: Apparaten die stroom gebruiken, zoals koelkast, verlichting, gps en marifoon.
Manoeuvreren en varen
- Vooruit slaan: De schroef zo laten draaien dat het schip vooruit beweegt.
- Achteruit slaan: De schroef zo laten draaien dat het schip achteruit beweegt.
- Roer: Stuurvlak waarmee het schip van richting verandert.
- Roerdruk: Kracht op het roer waardoor het schip draait.
- Wieleffect: Zijwaartse werking van de schroef, vooral merkbaar bij achteruit varen.
- Boegschroef: Dwars geplaatste schroef in de boeg waarmee je de voorkant van het schip zijwaarts kunt verplaatsen.
- Hekschroef: Dwars geplaatste schroef achterin het schip om het achterschip zijwaarts te verplaatsen.
- Aanmeren: Een schip vastmaken aan wal, steiger of ander object.
- Afvaren: Vertrekken vanaf een ligplaats.
- Langswal aanmeren: Aanmeren evenwijdig aan de wal of steiger.
- Hogerwal: Wal waar de wind vandaan komt.
- Lagerwal: Wal waar de wind naartoe waait; vaak lastiger en gevaarlijker om van weg te varen.
- Landvast: Lijn waarmee je het schip vastlegt.
- Spring: Landvast die schuin naar voren of achteren loopt en helpt het schip op zijn plek te houden.
- Voortros: Lijn vanaf de voorkant van het schip naar de wal.
- Achtertros: Lijn vanaf de achterkant van het schip naar de wal.
- Stootwil: Beschermend kussen tussen schip en wal of tussen twee schepen.
- Fender: Andere naam voor stootwil.
- Afstoppen: De snelheid uit het schip halen, vaak door achteruit te slaan.
- Draaicirkel: Ruimte die een schip nodig heeft om te draaien.
- Drift: Zijwaartse verplaatsing door wind of stroom.
- Verlijeren: Onbedoeld zijwaarts wegdrijven door wind.
- Stroom mee: Varen in dezelfde richting als de waterstroom.
- Stroom tegen: Varen tegen de richting van de waterstroom in.
- Wind mee: Varen met de wind in de rug.
- Wind tegen: Varen tegen de wind in.
Ankeren
- Ankeren: Een schip vastleggen met een anker aan de bodem.
- Ankerplaats: Plaats waar je veilig kunt ankeren.
- Ankergrond: Bodem waarin het anker goed of minder goed houdt.
- Krabben: Situatie waarin het anker niet goed houdt en over de bodem schuift.
- Anker uitbrengen: Het anker laten zakken of gooien.
- Anker ophalen: Het anker weer binnenhalen.
- Ankerbol: Zwart rond dagteken dat aangeeft dat een schip ten anker ligt.
- Ankerlicht: Wit licht dat een stilliggend schip ’s nachts voert wanneer het ten anker ligt.
- Spudpaal: Verticale paal die in de bodem wordt gezet om het schip vast te leggen; dit geldt als ankeren.
- Zwaaicirkel: Ruimte die een schip nodig heeft om rond het anker te kunnen draaien.
Voorrang en verkeersregels
- Voorrang: In de praktijk gebruikt woord voor wie zijn koers mag houden, al spreekt het BPR vaak over uitwijken en medewerking verlenen.
- Uitwijken: Koers of snelheid veranderen om aanvaring te voorkomen.
- Koers houden: Dezelfde richting blijven varen.
- Snelheid houden: Dezelfde vaarsnelheid blijven aanhouden.
- Goed zeemanschap: De verplichting om alles te doen wat nodig is om gevaar en schade te voorkomen, ook als de regels niet letterlijk in een situatie voorzien.
- Stuurboordwalplicht: Verplichting om zoveel mogelijk aan stuurboordzijde van het vaarwater te varen.
- Rechts houden: Praktische uitleg van de stuurboordwalplicht.
- Klein wijkt voor groot: Belangrijke hoofdregel: kleine schepen moeten vaak ruimte geven aan grote schepen.
- Motorschip wijkt voor zeilschip: Hoofdregel tussen kleine schepen: een klein motorschip wijkt meestal voor een klein zeilschip.
- Motorschip wijkt voor roeiboot: Een klein motorschip moet meestal uitwijken voor een klein door spierkracht voortbewogen schip.
- Zeilschip wijkt voor roeiboot: Een klein zeilschip moet meestal uitwijken voor een klein door spierkracht voortbewogen schip.
- Bakboord wijkt voor stuurboord: Bij twee zeilschepen over verschillende boeg wijkt het schip dat over bakboord ligt.
- Loef wijkt voor lij: Bij twee zeilschepen over dezelfde boeg wijkt het loefwaartse schip voor het lijwaartse schip.
- Loefzijde: De kant waar de wind vandaan komt.
- Lijzijde: De kant waar de wind naartoe waait.
- Blauw bord: Bord waarmee een groot schip kan aangeven dat het stuurboord op stuurboord wil passeren.
- Verkeerspost: Post die het scheepvaartverkeer begeleidt en informatie geeft.
- Verkeersteken: Bord, licht, vlag of ander teken met een betekenis voor de scheepvaart.
- Verbodsteken: Teken dat aangeeft dat iets niet mag.
- Gebodsteken: Teken dat aangeeft dat iets verplicht is.
- Beperkingsteken: Teken dat een beperking aangeeft, bijvoorbeeld maximale snelheid of doorvaarthoogte.
- Aanwijzingsteken: Teken dat informatie of aanwijzingen geeft.
- Aanbevelingsteken: Teken dat een aanbevolen route of handelwijze aangeeft.
Lichten, dagtekens en geluidsseinen
- Navigatieverlichting: Verlichting waarmee schepen in het donker zichtbaar maken wat voor schip ze zijn en welke richting ze varen.
- Toplicht: Wit licht dat naar voren schijnt en door motorschepen wordt gevoerd.
- Boordlichten: Rood licht aan bakboord en groen licht aan stuurboord.
- Heklicht: Wit licht aan de achterkant van een schip.
- Rondom schijnend licht: Licht dat over 360 graden zichtbaar is.
- Ankerlicht: Rondom schijnend wit licht van een schip dat ten anker ligt.
- Dagteken: Teken dat overdag wordt gevoerd om een toestand of soort schip aan te geven.
- Ankerbol: Zwarte bol die overdag aangeeft dat een schip ten anker ligt.
- Kegel: Dagteken dat onder andere bij bepaalde zeilschepen met motor kan worden gebruikt.
- Geluidssein: Signaal met hoorn, bel of ander geluid om een manoeuvre of waarschuwing aan te geven.
- Korte stoot: Geluidssein van ongeveer één seconde.
- Lange stoot: Geluidssein van ongeveer vier tot zes seconden.
- Attentiesein: Geluidssein om aandacht te vragen.
- Noodsein: Signaal waarmee een schip aangeeft in nood te zijn.
- Mistsein: Geluidssein dat bij slecht zicht wordt gebruikt.
- Slecht zicht: Situatie waarin zicht beperkt is door mist, zware regen, sneeuw of andere omstandigheden.
Betonning en vaarwegmarkering
- Betonning: Systeem van boeien, tonnen en bakens waarmee vaarwateren worden gemarkeerd.
- Laterale betonning: Betonning die de zijkanten van het vaarwater aangeeft.
- Kardinale betonning: Betonning die aangeeft aan welke kant je veilig kunt passeren ten opzichte van gevaar.
- IALA-A: Betonningssysteem dat in Europa wordt gebruikt; rood aan bakboord en groen aan stuurboord bij het binnenvaren vanaf zee.
- Rode ton: Lateraal teken aan bakboordzijde van het vaarwater in het IALA-A-systeem.
- Groene ton: Lateraal teken aan stuurboordzijde van het vaarwater in het IALA-A-systeem.
- Bakboordton: Rood lateraal teken aan de bakboordzijde van het vaarwater.
- Stuurboordton: Groen lateraal teken aan de stuurboordzijde van het vaarwater.
- Splitsingston: Ton die aangeeft dat het vaarwater zich splitst.
- Hoofdvaarwater rechts: Markering die aangeeft dat het hoofdvaarwater naar rechts loopt.
- Hoofdvaarwater links: Markering die aangeeft dat het hoofdvaarwater naar links loopt.
- Noord-cardinaal: Kardinaal teken dat aangeeft dat het veilige vaarwater ten noorden van het teken ligt.
- Oost-cardinaal: Kardinaal teken dat aangeeft dat het veilige vaarwater ten oosten van het teken ligt.
- Zuid-cardinaal: Kardinaal teken dat aangeeft dat het veilige vaarwater ten zuiden van het teken ligt.
- West-cardinaal: Kardinaal teken dat aangeeft dat het veilige vaarwater ten westen van het teken ligt.
- Topteken: Vorm bovenop een boei of baken die helpt om het teken te herkennen.
- Veilig-vaarwaterteken: Teken dat aangeeft dat rondom het teken veilig vaarwater aanwezig is.
- Markering afzonderlijk gevaar: Teken dat een los gevaar aangeeft, zoals een wrak of ondiepte.
- Bijzonder markeringsteken: Teken voor speciale gebieden of situaties, zoals een verboden gebied, kabel of meetopstelling.
- Boei: Drijvend teken dat op zijn plaats wordt gehouden en informatie geeft over het vaarwater.
- Ton: Drijvende markering in het water; vaak gebruikt als algemene naam voor boeien.
- Baken: Vast of drijvend herkenningsteken voor navigatie.
- Krib: Dam of stenen uitstulping vanaf de oever in een rivier om de stroming te sturen.
Bruggen en sluizen
- Brug: Bouwwerk over het water waar schepen onderdoor of doorheen varen.
- Beweegbare brug: Brug die open kan voor de scheepvaart.
- Vaste brug: Brug die niet open kan.
- Doorvaarthoogte: Hoogte die beschikbaar is om onder een brug of kunstwerk door te varen.
- Doorvaartbreedte: Breedte die beschikbaar is om door een brugopening of sluis te varen.
- Bruglichten: Lichten bij een brug die aangeven of doorvaart is toegestaan.
- Rood licht: Meestal teken dat doorvaart verboden is.
- Groen licht: Meestal teken dat doorvaart toegestaan is.
- Rood-groen licht: Teken dat de doorvaart binnenkort kan worden toegestaan.
- Sluis: Kunstwerk waarmee schepen hoogteverschil in waterstand kunnen overbruggen.
- Sluiskolk: Ruimte tussen de sluisdeuren waarin schepen liggen tijdens het schutten.
- Schutten: Het proces waarbij een schip in een sluis omhoog of omlaag wordt gebracht.
- Sluisdeur: Deur waarmee de sluiskolk wordt afgesloten.
- Bolder: Paal of bevestigingspunt waaraan een schip tijdelijk kan worden vastgemaakt.
- Remmingwerk: Constructie bij brug of sluis die schepen geleidt en beschermt.
- Wachtsteiger: Steiger waar schepen wachten voor een brug of sluis.
- Kolkwand: Zijwand van een sluiskolk.
- Verval: Verschil in waterhoogte tussen beide kanten van een sluis.
Weer, wind en water
- Windrichting: Richting waar de wind vandaan komt.
- Windkracht: Sterkte van de wind, vaak uitgedrukt in Beaufort.
- Beaufort: Schaal waarmee de windkracht wordt aangegeven.
- Golfhoogte: Hoogteverschil tussen golfdal en golftop.
- Deining: Golven die blijven doorlopen nadat ze door wind zijn opgewekt.
- Stroming: Beweging van water in een bepaalde richting.
- Getij: Periodieke stijging en daling van de waterstand door invloed van maan en zon.
- Hoogwater: Moment waarop de waterstand op zijn hoogst is.
- Laagwater: Moment waarop de waterstand op zijn laagst is.
- Vloed: Opkomend water.
- Eb: Aflopend water.
- Kentering: Moment waarop de stroomrichting omslaat.
- Springtij: Extra groot verschil tussen hoogwater en laagwater.
- Doodtij: Klein verschil tussen hoogwater en laagwater.
- Mist: Slecht zicht door kleine waterdruppels in de lucht.
- Onweer: Weersituatie met bliksem en donder; op het water extra gevaarlijk.
- Cumulonimbus: Buienwolk die kan zorgen voor zware buien, windstoten en onweer.
- Buienlijn: Lijn met buien die vaak plotselinge windverandering en slecht weer kan brengen.
- Luchtdruk: Druk van de lucht, belangrijk voor weersverandering.
- Barometer: Instrument waarmee luchtdruk wordt gemeten.
Navigatie en kaartlezen voor Vaarbewijs 2
- Navigatie: Het bepalen van positie, koers en route op het water.
- Waterkaart: Kaart met vaarwegen, dieptes, betonning, bruggen, sluizen en andere informatie.
- Kaartdiepte: Diepte die op de waterkaart staat aangegeven.
- NAP: Normaal Amsterdams Peil; referentieniveau voor hoogtes en waterstanden in Nederland.
- LAT: Lowest Astronomical Tide; laagste astronomische getijstand die als kaartreferentie op zee kan worden gebruikt.
- Peilschaal: Schaal waarmee je de actuele waterstand kunt aflezen.
- Koers: Richting waarin je vaart of wilt varen.
- Ware koers: Koers ten opzichte van het geografische noorden.
- Magnetische koers: Koers ten opzichte van het magnetische noorden.
- Kompaskoers: Koers die je op het kompas stuurt.
- Grondkoers: Werkelijke koers over de grond, inclusief invloed van wind en stroom.
- Kompas: Instrument waarmee je richting bepaalt.
- Variatie: Verschil tussen geografisch noorden en magnetisch noorden.
- Deviatie: Afwijking van het kompas door magnetische invloeden aan boord.
- Miswijzing: Verzamelbegrip voor afwijking tussen ware koers en kompaskoers.
- Peiling: Richting waarin je een object ziet vanaf je schip.
- Kruispeiling: Positiebepaling door twee of meer peilingen op bekende objecten te nemen.
- GPS: Satellietsysteem waarmee je positie, snelheid en koers kunt bepalen.
- Plotter: Elektronisch navigatiesysteem waarop je positie en kaartinformatie ziet.
- Waypoint: Vastgelegd punt in een navigatiesysteem waar je naartoe vaart.
- Route: Reeks waypoints of koersen die je wilt volgen.
- Breedtegraad: Positie ten noorden of zuiden van de evenaar.
- Lengtegraad: Positie ten oosten of westen van de nulmeridiaan.
- Meridiaan: Denkbeeldige lijn van noordpool naar zuidpool.
- Parallel: Denkbeeldige lijn evenwijdig aan de evenaar.
- Noord: Richting naar het noorden; basisrichting bij navigatie.
- Ware noorden: Richting naar de geografische noordpool.
- Magnetische noorden: Richting waar een magnetisch kompas naartoe wijst.
- Schaal van de kaart: Verhouding tussen afstand op de kaart en werkelijke afstand.
- Zeemijl: Afstandseenheid op het water; één zeemijl is 1852 meter.
- Knoop: Snelheidseenheid van één zeemijl per uur.
- Log: Instrument of registratie waarmee snelheid of afgelegde afstand wordt bijgehouden.
- ETA: Estimated Time of Arrival; verwachte aankomsttijd.
- Vaart over de grond: Werkelijke snelheid ten opzichte van de bodem.
- Vaart door het water: Snelheid van het schip ten opzichte van het omringende water.
Marifonie
- Marifoon: Radiozend- en ontvanginstallatie voor communicatie op het water.
- Marifonie: Het gebruik van de marifoon en de regels die daarbij horen.
- Basiscertificaat Marifonie: Certificaat dat je nodig hebt om een marifoon te mogen bedienen.
- ATIS: Automatische identificatiecode die bij marifoongebruik op binnenwater wordt meegezonden.
- MMSI: Unieke identificatiecode voor maritieme radioapparatuur, vooral gebruikt bij DSC.
- DSC: Digital Selective Calling; digitaal oproepsysteem op marifoons.
- VHF: Very High Frequency; frequentiegebied waarop marifoons werken.
- Kanaal: Vaste marifoonfrequentie met een bepaald doel, bijvoorbeeld communicatie met verkeersposten of bruggen.
- Kanaal 16: Internationaal nood-, spoed- en oproepkanaal op zee.
- Blokkanaal: Verplicht uitluisterkanaal voor een bepaald gebied.
- Uitluisteren: Luisteren naar marifoonverkeer en oproepen beantwoorden wanneer dat nodig is.
- Verkeersbegeleiding: Begeleiding van scheepvaart door een verkeerspost.
- Verkeerspost: Walstation dat informatie geeft en scheepvaartverkeer begeleidt.
- Walstation: Vast radiostation aan de wal.
- Schip-station: Marifoonstation aan boord van een schip.
- Roepnaam: Naam waarmee een schip of station via de marifoon wordt aangeroepen.
- Oproep: Bericht waarmee je contact probeert te maken via de marifoon.
- Radiostilte: Periode waarin niet onnodig mag worden gezonden, bijvoorbeeld bij noodverkeer.
- Noodverkeer: Marifoonverkeer waarbij direct gevaar bestaat voor schip of personen.
- Spoedverkeer: Verkeer voor een dringende situatie zonder direct levensgevaar.
- Veiligheidsverkeer: Berichten over veiligheid van de scheepvaart, zoals obstakels of slecht zicht.
- Mayday: Noodsein via de marifoon bij ernstig en onmiddellijk gevaar.
- Pan Pan: Spoedsein via de marifoon voor een dringende situatie.
- Sécurité: Veiligheidssein via de marifoon voor belangrijke veiligheidsinformatie.
- Zendknop: Knop op de marifoonmicrofoon waarmee je zendt.
- Microfoon: Onderdeel waarmee je spreekt via de marifoon.
- Antenne: Onderdeel waarmee radiosignalen worden verzonden en ontvangen.
- Zendvermogen: Sterkte waarmee een marifoon uitzendt.
- Portofoon: Draagbare radiozender en ontvanger.
- Duplexkanaal: Kanaal waarbij zenden en ontvangen via verschillende frequenties lopen.
- Simplexkanaal: Kanaal waarbij zenden en ontvangen op dezelfde frequentie plaatsvinden.
- Gespreksdiscipline: Duidelijk, kort en volgens de regels communiceren via de marifoon.
Afkortingen en eenheden
- km/h: Kilometer per uur; eenheid voor snelheid.
- m: Meter; eenheid voor lengte.
- cm: Centimeter; eenheid voor lengte.
- kg: Kilogram; eenheid voor massa, bijvoorbeeld bij brandbluscapaciteit.
- W: Watt; eenheid voor elektrisch vermogen.
- V: Volt; eenheid voor elektrische spanning.
- A: Ampère; eenheid voor stroomsterkte.
- Ah: Ampère-uur; eenheid voor accucapaciteit.
- PK: Paardenkracht; eenheid waarmee motorvermogen vaak wordt aangeduid.
- RDW: Organisatie die registratiebewijzen en registratiekentekens voor snelle motorboten afgeeft.
- GPS: Global Positioning System; satellietsysteem voor plaatsbepaling.
- CO2: Kooldioxide; gas dat in CO2-blussers wordt gebruikt om vuur te verstikken.