Thuishaven » Brughoogte berekenen

Brughoogte berekenen

Hoe bereken je de werkelijke brughoogte of waterdiepte?

Hoe kan je de werkelijke brughoogte berekenen? Bij bruggen en sluizen staan vaak peilschalen en hoogteschalen. Bij een brug is de werkelijke doorvaarthoogte afhankelijk van de actuele waterstand. Brughoogtes en waterdieptes staan op de waterkaart opgegeven in decimeters. Weet ook wat de doorvaarthoogte en de diepgang van jouw boot is. Deze informatie heb je nodig om te berekenen of je met je dure zeilboot onder de brug kan doorvaren. Bij Vaarbewijs Filmpjes leer je hoe je dat doet.

Lid worden van Vaarbewijs Filmpjes

Waterstand en kanaalpeil

Op waterkaarten wordt de brughoogte en waterdiepte altijd gegeven in decimeters ten opzichte van het lokale kanaalpeil (KP) of stuwpeil (SP). Dit is een indicatie voor de normale gemiddelde waterstand op die plek. Deze gegevens staan in de ANWB Wateralmanak deel 2.

De werkelijke waterstanden variëren, dit is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid gevallen regen. Maar ook van hoe de waterschappen de waterstand reguleren met de gemalen. In Nederland is het kanaalpeil in het westen meestal onder NAP en in het oosten boven NAP.

Peilschalen en NAP

NAP staat voor Normaal Amsterdams Peil. NAP komt ongeveer overeen met de gemiddelde waterstand voor de Nederlandse kust en dat is een mooie landelijke (zelfs wereldwijde) referentie.

Bij veel bruggen en sluizen staan blauwe peilschalen, deze geven aan wat de werkelijke waterstand van dat moment is ten opzichte van NAP. Sommige peilschalen zijn in decimeters en sommige in centimeters. Als je op een peilschaal afleest -3dm dan ligt het waternivo dus 30 cm onder NAP.

brughoogte berekening NAP
Nederland boven en onder NAP – Bron: Rijkswaterstaat

Hoogteschalen

Bij sommige bruggen en sluizen staan hoogteschalen, deze zijn per meter onderverdeeld in gele en zwarte blokken. Op deze hoogteschalen kan je gelijk de actuele brughoogte aflezen, dat scheelt weer wat gereken. Let op bij het aflezen dat de lage getallen bovenin de schaal staan.

berekening brughoogte waterdiepte
Hoogteschaal bij brug – Foto: Rens Groenendijk

Welke gegevens heb je nodig om een brughoogte te berekenen?

Om te weten te komen of je onder een brug kan doorvaren met je boot, moet je een berekening uitvoeren om de werkelijke brughoogte van dat moment te bepalen. Bij je Vaarbewijs Examen worden deze gegevens in de opgave gegeven, je hoeft dus niet bijvoorbeeld zelf op een waterkaart te kijken. Er is altijd één onbekende variabele die je moet berekenen, dit kan je doen door de volgende gegevens te gebruiken.

  • NAP, dit is het absolute referentiepeil.
  • KP (Kanaalpeil), deze wordt gegeven ten opzichte van NAP. Deze is hoger, lager of gelijk aan NAP.
  • Brughoogte op kaart (alleen in het geval je de daadwerkelijke brughoogte moet berekenen)
  • Waterdiepte op kaart (alleen in het geval je de daadwerkelijke waterdiepte moet berekenen)
  • De werkelijke waterstand op de peilschaal

In sommige examenopgaven over de berekening brughoogte wordt gevraagd hoeveel ruimte je nog over hebt onder de brug als je er onderdoor vaart, dan heb je ook nog nodig:

  • De hoogte van de boot (met mast!)

En in andere examenopgaven over berekening waterdiepte wordt gevraagd hoeveel ruimte je nog onder de boot hebt, dan heb je ook nog nodig:

  • De diepgang van de boot (met kiel!)

Download onze gratis rekenhulp

Download nu onze gratis rekenhulp brughoogte berekenen:

Voorbeeld berekening brughoogte

Hoe bereken je de werkelijke brughoogte?

  1. Maak een schets

    Om fouten te voorkomen kan je het beste een tekeningetje maken. Deze hoeft niet op schaal te zijn. Teken alle hoogtes als horizontale lijnen, schrijf erbij wat het is en wat de hoogte is in decimeters. Bekijk de filmpjes voor een paar voorbeelden.

  2. Brughoogte H60

    Deze is gegeven in de opgave. (In werkelijkheid lees je deze af op een waterkaart of haal je deze uit de ANWB Wateralmanak). Brughoogtes en waterdieptes staan altijd in decimeters, dus H60 betekent dat de brug 60 dm hoog is (dat is gelijk aan 6 meter) ten opzichte van het kanaalpeil KP. Teken op papier een lijn en zet daarbij “brughoogte H60”.

  3. Kanaalpeil KP

    Onder de lijn van de brughoogte teken je een horizontale lijn en die noem je KP. De afstand tussen de lijn KP en de brughoogtelijn H60 is de 60 dm (dit kan je bijvoorbeeld aangeven met een pijltje tussen de twee lijnen).

  4. Verschil KP en NAP: KP = NAP+10

    In de opgave is gegeven wat het verschil is tussen het KP op die plek en NAP. Je hebt dit later nodig, omdat de peilschalen altijd ten opzichte van NAP zijn en niet ten opzichte van KP. Stel dat gegeven is dat KP gelijk is aan NAP+10. Dit betekent dat op de plek van de brug het KP 10 dm (dus 1 meter) hóger ligt dan NAP. Teken een horizontale lijn onder de KP lijn, zet het verschil tussen die twee lijnen erbij, 10 dm. Note: Dit betekent dus dat de brughoogte 70 dm boven NAP is.

  5. Waterstand op de peilschaal NAP+30

    Als je aan komt varen met je boot, dan kijk je naar de daadwerkelijke waterstand op de blauwe peilschaal. Note: Afhankelijk van de plek is de schaalverdeling op de peilschalen soms in meters, soms in decimeters en soms in centimeters! Reken eerst altijd terug naar decimeters, voordat je deze waarde gaat intekenen.
    – Van meters naar decimeters is vermenigvuldigen met 10. Dus: 1,20 m is 12 dm.
    – Van centimeters naar decimeters is delen door 10. Dus: 140 cm is 14 dm.

    Stel dat je op de peilschaal (die in decimeters is) afleest +30. Dat betekent dat de waterstand 30dm boven NAP staat. Teken dan een lijn boven de NAP lijn noem deze “actuele waterstand” en het verschil tussen die twee lijnen is 30, zet dat erbij.

  6. Verschil KP en actuele waterstand

    Omdat het verschil tussen NAP en KP gelijk aan 10 was en het verschil tussen NAP en de actuele waterstand 30 kan je nu uit je tekening aflezen dat het verschil tussen KP en de actuele waterstand 20 is. Dit betekent dat de huidige waterstand 20 dm hoger staat dan gemiddeld.

  7. Werkelijke doorvaarthoogte brug

    Je kan nu ook uit tekening aflezen dat de doorvaarthoogte van de brug niet 60 dm is, maar 40 dm, omdat het water 20 dm hoger staat dan gemiddeld. De werkelijke doorvaarthoogte op dat moment is dus 40dm (4 meter).

  8. Ruimte overhouden onder de brug

    Stel dat je 50 cm wil overhouden onder de brug en je weet dat je boot 3,5 meter hoog is, kan je dan nog onder de brug door? Ja dat kan nog net, immers de boot is 35 dm hoog en je wil 5 dm aan ruimte overhouden en er is 40 dm ruimte onder de brug aanwezig.

peilschaal nap
Peilschaal

Berekening werkelijke waterdiepte

Het berekenen van de werkelijke waterdiepte gaat op een soortgelijke manier. Als er op de waterkaart staat D20, dan is het water op die plek bij KP 2 meter diep.

Op deze pagina kan je een voorbeeld zien over hoe je de werkelijke waterdiepte berekent.

Voor je Vaarbewijs 1 Examen moet je deze berekeningen kunnen maken. Omdat dit een lastig onderdeel is voor veel matrozen hebben we een extra filmpje gemaakt met een paar voorbeelden. En kom je er niet uit? Als lid kan je onze hulp vragen via bijvoorbeeld Facebook.

Lid worden van Vaarbewijs Filmpjes

Oefenvragen: Brughoogte berekenen vaarbewijs

In dit filmpje staan oefenvragen die horen bij bovenstaande theorie.

Lid worden van Vaarbewijs Filmpjes

Wat als je een foutje maakt?

En maak dus vooral geen fouten! De kapitein onder had de Vaarbewijs Filmpjes niet bekeken.

Meer lezen?