Waterkaarten helpen je niet alleen bij de navigatie, maar geven ook waardevolle informatie over brughoogtes, waterdieptes en actuele waterstanden. In deze uitleg leer je hoe je de schaal van de kaart moet interpreteren en hoe je werkelijke doorvaarthoogtes of dieptes kunt berekenen – precies zoals je moet kunnen op het examen én in de praktijk.

Schaal van de waterkaart
Waterkaarten gebruiken een schaalverdeling die de verhouding aangeeft tussen de kaart en de werkelijkheid. Een veelvoorkomende schaal is 1:15.000. Dit betekent:
- 1 cm op de kaart = 15.000 cm in werkelijkheid = 150 meter = 0,15 kilometer
Belangrijk om te onthouden bij omrekeningen:
- 1 km = 1.000 m = 10.000 dm = 100.000 cm = 1.000.000 mm
Brughoogte en waterdiepte op de kaart
Op waterkaarten wordt de brughoogte (H) en waterdiepte (D) in decimeters (dm) weergegeven ten opzichte van het kanaalpeil (KP):
- H25 = 2,5 meter doorvaarthoogte bij gemiddeld waterpeil
- D37 = 3,7 meter diepte bij gemiddeld waterpeil
Tip: 1 meter = 10 dm = 100 cm
Begrippen die je moet kennen
- NAP (Normaal Amsterdams Peil): landelijk referentiepunt voor waterstanden.
- KP (Kanaalpeil) of SP (Stuwpeil): de gemiddelde waterstand op een bepaalde plek, meestal in decimeters ten opzichte van NAP.
- Voorbeeld: KP = NAP + 5 betekent dat het kanaalpeil 5 dm (50 cm) boven NAP ligt.
Blauwe peilschalen & geel-zwarte hoogteschalen
Blauwe peilschalen geven de actuele waterstand t.o.v. NAP:
- -3 dm = 30 cm onder NAP
- Let op of de schaal in cm of dm is en in welke richting de getallen oplopen
Geel-zwarte hoogteschalen tonen de actuele brughoogte:
- Elke kleurwissel is 1 meter
- Lage getallen staan bovenaan, want bij lagere waterstand is de brughoogte groter
Gegevens die je nodig hebt voor berekeningen
Om de werkelijke brughoogte of waterdiepte te berekenen gebruik je:
- NAP: het vaste referentiepunt
- KP of SP: gemiddelde waterstand t.o.v. NAP
- Brughoogte (H) of waterdiepte (D) op de kaart
- De actuele waterstand (van peilschaal)
- Eventueel: de hoogte van je boot (voor brugdoorvaart) of de diepgang van je boot (voor diepteberekening)
Voorbeelden van examenvragen
- Wat is de actuele doorvaarthoogte als het KP NAP+3 is, de peilschaal -2 dm aangeeft en de brughoogte H30 is?
- Je boot is inclusief mast 3,2 m hoog. Hoeveel ruimte heb je nog over onder de brug?
- Je boot steekt 1,8 m diep. Hoeveel water heb je nog onder de kiel bij D22 en een peilschaal van +1 dm?
Download Rekenhulp
Download onze handig Rekenhulp brughoogte voor dit lastige onderdeel. In de cursus ga je leren hoe je hem kan gebruiken.
Klaar om dit echt goed onder de knie te krijgen? Onze online vaarbewijs 1 cursus legt dit soort vraagstukken niet alleen stap voor stap uit, maar biedt ook interactieve oefenvragen waarmee je perfect voorbereid het examen in gaat. Ontdek de cursus en vaar straks met vertrouwen onder elke brug door!
Ook in één keer je Vaarbewijs 1 halen? Start nu direct!
Wat als je een foutje maakt?
En maak dus vooral geen fouten! De kapitein onder had de cursus bij Vaarbewijs Filmpjes niet gedaan.
Meer lezen?
Een peilschaal is een instrument om de stand (het peil) van het water te meten, bijvoorbeeld het water in een rivier of kanaal. Deze geeft dan de waterstand aan ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP).
Een hoogteschaal wordt gebruikt om de hoogte van een object aan te geven, bijvoorbeeld de doorvaarthoogte van een brug. De brughoogte wordt vaak aangegeven op een hoogteschaal op de pijler of een stuk voor de brug. Dit is dan een geel-zwarte meetlat met de hoogste waarde onder en de kleinste waarde boven. Daar waar het water de meetlat raakt, kan je de doorvaarthoogte aflezen.
Het Normaal Amsterdams Peil (meestal afgekort tot NAP) is de referentiehoogte ofwel peil waaraan hoogtemetingen en dieptemetingen in Nederland worden gerelateerd. Het NAP staat sinds 1891 voor Normaal Amsterdams Peil. Het is ontstaan uit het Amsterdams Peil (AP), een van de vele lokale en regionale peilen die Nederland vóór de twintigste eeuw kende. Een NAP-hoogte van 0 m is ongeveer gelijk aan het gemiddeld zeeniveau van de Noordzee.
Het NAP-net bestaat uit ongeveer 35.000 zichtbare peilmerken, meestal bronzen boutjes met het opschrift NAP, aangebracht in kaden, muren, bouwwerken of op palen en bovendien 400 ondergrondse peilmerken. De onderlinge hoogteverschillen tussen de peilmerken worden nauwkeurig vastgelegd. Als gevolg van bodembewegingen treden er voortdurend veranderingen op. Eens in de 10 jaar bepaalt Rijkswaterstaat opnieuw de hoogte van de meeste peilmerken.
Het NAP is belangrijk omdat het als referentiehoogte wordt gebruikt voor hoogtemetingen in Nederland. Dit betekent dat alle hoogtes in Nederland worden gemeten ten opzichte van hetzelfde niveau, het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het NAP is onmisbaar voor de bescherming tegen overstromingen. Dijken en andere waterkeringen houden ons land droog. Daarom controleren we regelmatig of onze dijken en duinen nog wel hoog genoeg zijn ten opzichte van het NAP. Daarnaast gebruiken we het NAP ook voor waterbeheer, het plannen van bouwwerkzaamheden en het bestuderen van de bodembeweging.
De brughoogte wordt vaak aangegeven op een hoogteschaal op de pijler of een stuk voor de brug. Dit is dan een geel-zwarte meetlat met de hoogste waarde onder en de kleinste waarde boven. Daar waar het water de meetlat raakt, kan je de doorvaarthoogte aflezen. Als het water stijgt wordt de afgelezen doorvaarthoogte dus vanzelf kleiner. In de Wateralmanak en op kaarten wordt de brughoogte aangegeven ten opzichte van het kanaalpeil.
Het kanaalpeil, meestal afgekort tot KP, is een peil met als referentie het Normaal Amsterdams Peil (NAP). Het wordt plaatselijk voor het gemak gebruikt om een slag minder rekenwerk te hoeven doen bij de hoogtebepaling ten opzichte van de waterstand. Als van een brug of sluisdrempel de hoogte ten opzichte van het kanaalpeil bekend is, kan daar snel worden uitgerekend wat de doorvaarthoogte of vrije diepgang is.
Een stuwpeil is de waterhoogte waartoe een stuw het water opstuwt. De grote rivieren hebben geen vast peil, maar als er een stuw in gebouwd is kent men daar wel een stuwpeil.
Peilschalen zijn te vinden langs de waterkant van sloten, kanalen en rivieren. Ze worden vaak geplaatst door waterschappen of Rijkswaterstaat om de waterstand te kunnen meten. Je kunt ze vaak vinden bij sluizen, bruggen en stuwen. Als je wilt weten waar je een peilschaal kunt vinden in jouw omgeving, kun je contact opnemen met het lokale waterschap of Rijkswaterstaat.
De kaartschaal is de verhouding tussen een afstand op de kaart en de overeenkomstige afstand in werkelijkheid. De schaal kan worden weergegeven in een verhouding zoals 1 : 25.000. De schaal 1 : 25.000 is een grotere schaal dan 1 : 50.000, omdat 1 / 25.000 groter is dan 1 / 50.000. Op een kaart met grote schaal kunnen dan ook per oppervlakte-eenheid in de werkelijkheid meer gegevens en meer details getoond worden dan op een kaart met een kleinere schaal zonder dat de leesbaarheid nadelig beïnvloed wordt.