Waterdiepte berekenen

Op deze pagina een extra voorbeeld over hoe je de werkelijke waterdiepte kan berekenen. Deze berekeningen moet je kunnen uitvoeren voor je Vaarbewijs 1 Examen. Bekijk eerst alle uitleg en filmpjes over brughoogte berekenen.

Voorbeeld berekening waterdiepte

Hoe bereken je de werkelijke waterdiepte?

  1. Maak een schets

    Om fouten te voorkomen kan je het beste een tekeningetje maken. Deze hoeft niet op schaal te zijn. Teken alle hoogtes en dieptes als horizontale lijnen, schrijf erbij wat het is en zet de decimeters er bij.

  2. Waterdiepte D20

    Deze is gegeven in de opgave. (In werkelijkheid lees je deze af op een waterkaart of haal je deze uit de ANWB Wateralmanak). Brughoogtes en waterdieptes staan altijd in decimeters, dus D20 betekent dat op die plek de waterdiepte 20 dm is (dat is gelijk aan 2 meter) ten opzichte van het kanaalpeil KP. Teken op papier een lijn en zet daarbij D20 (dit is de bodem).

  3. Kanaalpeil KP

    Boven de lijn van de bodem teken je een horizontale lijn en die noem je KP. De afstand tussen de lijn KP en D20 is de 20 dm (dit kan je bijvoorbeeld aangeven met een pijltje tussen de twee lijnen).

  4. Verschil KP en NAP: KP = NAP-5

    In de opgave is gegeven wat het verschil is tussen het KP op die plek en NAP. Je hebt dit later nodig, omdat de peilschalen altijd ten opzichte van NAP zijn en niet ten opzichte van KP. Stel dat gegeven is dat KP gelijk is aan NAP-5. Dit betekent dat op die plek het KP 5 dm (dus 0,5 meter) lager ligt dan NAP. Teken een horizontale lijn boven de KP lijn, zet het verschil tussen die twee lijnen erbij, 5 dm. Note: Dit betekent dus dat de waterdiepte daar 25 dm onder NAP is.

  5. Waterstand op de peilschaal NAP-12

    Als je aan komt varen met je boot, dan kijk je naar de daadwerkelijke waterstand op de blauwe peilschaal. Note: Afhankelijk van de plek is de schaalverdeling op de peilschalen soms in meters, soms in decimeters en soms in centimeters! Reken eerst altijd terug naar decimeters, voordat je deze waarde gaat intekenen.
    – Van meters naar decimeters is vermenigvuldigen met 10. Dus: 1,20 m is 12 dm.
    – Van centimeters naar decimeters is delen door 10. Dus: 140 cm is 14 dm.

    Stel dat je op de peilschaal (die in decimeters is) afleest -12. Dat betekent dat de waterstand 12dm onder NAP staat. Teken dan een lijn onder de NAP lijn noem deze “actuele waterstand” en het verschil tussen die twee lijnen is 12, zet dat erbij.

  6. Verschil KP en actuele waterstand

    Omdat het verschil tussen NAP en KP gelijk aan 5 was en het verschil tussen NAP en de actuele waterstand 12 kan je nu uit je tekening aflezen dat het verschil tussen KP en de actuele waterstand 7 is. Dit betekent dat de huidige waterstand 7 dm lager staat dan gemiddeld.

  7. Werkelijke waterdiepte

    Je kan nu ook uit tekening aflezen dat de werkelijke waterdiepte niet 20 dm is, maar 13 dm, omdat het water 7 dm lager staat dan gemiddeld. De werkelijke waterdiepte op dat moment is dus 13dm (1,3 meter).

  8. Ruimte overhouden onder de boot

    Stel dat je 10 cm wil overhouden boven de grond en je weet dat je boot 1,3 meter diepgang heeft, kan je dan nog doorvaren? Nee, dat is niet verstandig. Immers de boot heeft een diepgang van 13 dm en dat is ook de actuele waterdiepte, je houdt dan dus niet 1 dm aan speelruimte over.

Lid worden Vaarbewijs Filmpjes

Meer lezen?